|
Inspanningskapaciteit,
bewegingsangst en het afweersysteem
Een
recente studie van Black (1) maakt opnieuw twee dingen duidelijk:
1. het aktiviteitennivo van
ME-patiënten ligt gemiddeld 35% lager dan dat van gezonde
mensen en
2.
ME-patiënten
zijn in staat hun aktiviteiten stapsgewijs uit te breiden (wandelen),
maar al na een week nemen de typische ME-klachten toe en
“gaat het licht langzaam uit”, omdat de
inspanningen hun tol eisen.

Uit
wetenschappelijke studies die de laatste jaren uitgevoerd zijn (bijv. 2
en 3) blijkt dat de lagere inspannings- kapaciteit van
ME-patiënten niét voortvloeit uit bewegingsangst,
maar waarschijnlijk het gevolg is van het feit dat inspanning het vaak
al geaktiveerde afweersysteem (nog) verder aanwakkert en ontregelt.
Bewegingsangst
is een van de argumenten die aan de basis ligt van de
gedrags-en-oefentherapie (CBT/GET).
Als
die bewegingsangst niet bestaat, wordt wederom een pijler onder CBT/GET
weggeslagen. De onjuistheid van
de
"fundamenten" van het CBT-model bleek onlangs overigens ook weer uit
een studie van Jason et al (10).
Eerst
twee studies die aantonen dat de inspanningskapaciteit NIET
het gevolg is van de bewegingsangst!
In
2004 verscheen de studie van Nijs et al (2). Het doel van die studie
was om te bepalen in hoeverre de lagere inspanningskapaciteit het
gevolg was van een onterechte (excessieve) bewegingsangst.
Proefpersonen, patiënten die aan de 1994-kriteria voldeden,
dienden eerst vragenlijsten over dagelijkse aktiviteiten - dagelijks
funktioneren (CFS-APQ) en bewegingsangst (TSK-DV) in te vullen.
Vervolgens
werden die proefpersonen onderworpen aan een inspanningstest: fietsen
op een "hometrainer" met stapsgewijs toenemende weerstand totdat de
maximale inspanning (volledige uitputting) bereikt wordt.
Van
alle deelnemers werden bij verschillende inspanningsnivo’s
onder meer het volgende geregistreerd:
| ◊ |
hartritme-hartslag
(vastgelegd m.b.v. een ECG), |
| ◊ |
zuurstofopname:
VO2 (inklusief maximale zuurstofopname: VO2 max), |
| ◊ |
hartslag
waarbij het respiratoir quotiënt 1 is (een goede
indikatie voor die inspanning waarbij het lichaam overgaat van
aërobe naar anaërobe verbranding en de
verzuringsgraad van het lichaam toeneemt). |

Deze
studie toont aan dat, zeker als ME-patiënten last hebben van
wijd verspreide spier- en gewichtspijn, de INSPANNINGSKAPACITEIT, de
FYSIEKE KLACHTEN EN de BEPERKTE DEELNAME AAN HET DAGELIJKS LEVEN NIET
HET GEVOLG zijn VAN (excessieve) BEWEGINGSANGST, oftewel kinesiofobie.
De
konklusie van een studie van prominente vertegenwoordigers van de
CBT/GET-school, White et al (3) luidt: Bij ME-patiënten
zonder bijkomende “ziekmakende” psychische
problemen, is GEEN SPRAKE VAN BEWEGINGS- ANGST.
Uit
bovenstaande en onderstaande studies moge duidelijk zijn dat de lagere
inspanningskapaciteit d.m.v. een inspanningsproef goed te kwantificeren
is.
In
2000 al toonden De Becker et al (4) bij vrouwelijke
ME-patiënten aan dat de inspanningskapaciteit verminderd is en
dat die lagere inspanningskapaciteit mogelijk een gevolg is van het
feit dat de maximale hartslag bij ME- patiënten lager ligt dan
bij gezonde mensen. Bij gezonde mensen bereken je die als
volgt: ± 220 – leeftijd van de persoon
in kwestie. Andere afwijkingen
die gevonden werden, zijn: hogere hartslag in rust (voorafgaand aan de
test), lagere maximale inspanning en lagere maximale zuurstofopname. De
maximale inspanning en zuurstofopname zijn vaak slechts de helft van
wat normaal is!
Snell
et al (5) op hun beurt toonden in 2003 aan dat de inspanningskapaciteit
per ME-patiënt sterk kan variëren. Op basis van de
maximale zuurstofopname werden patiënten in vier klassen
ingedeeld: geen beperkingen, lichte beperkingen, grotere beperkingen en
ernstige beperkingen.
Richtlijnen
m.b.t. VO2 max (een voorbeeld)

De
maximale zuurstofopname en de maximale hartslag waren lager, naarmate
de patiënt meer beperkingen had (zieker was). Bij
patiënten zonder beperkingen was de hartfrekwentie/inspanning
waarbij het respiratoir quotiënt 1 is, aanzienlijk hoger dan
die bij patiënten met lichte, grote en ernstige beperkingen.
De maximale zuurstofopname was voor alle ME-patiënten
aanzienlijk lager dan “normaal”.
Goed,
als die beperkte inspanningskapaciteit niet het
gevolg is van bewegingsangst,
wat
is dan de OORZAAK VAN die LAGERE INSPANNINGSKAPACITEIT?
Een zeer plausibele verklaring vinden we
in studies van Snell (6), White (7), Nijs (8) en de Bolle (9):
(verdere) deregulering/aktivering
van het afweersysteem en chronische mycoplasma-infekties.
Snell
et al (6) hebben de relatie onderzocht tussen de inspanningskapaciteit
en de mate waarin het RNase-L- systeem, dat een centrale rol in de
afweer speelt, ontregeld is.
Voor
een toelichting op de ontregeling van
het afweersysteem en RNAse-L-fragmentatie bij ME-patiënten klik
hier.
Ook
hier werden patiënten en gezonde mensen aan de hierboven
beschreven inspanningstest onderworpen (totdat uitputting bereikt
werd). Gemeten werden onder meer de maximale zuurstofopname (VO2),
maximale hartslag en de respiratoir quotiënt. De resultaten
impliceren dat de toename van een abnormale immuun-response, (verdere)
aktivering van het afweersysteem, een rol kan spelen in afgenomen
inspanningskapaciteit van ME-patiënten.
Dit is een van de eerste studies die een
DIREKT VERBAND legt tussen DE LAGE
INSPANNINGSKAPACITEIT (een van de belangrijkste klachten van
ME-patiënten) EN DE RNASE-L-THERMOMETER
(waarmee de ontregeling en aktivering van het afweersysteem gemeten kan
worden).
M.b.t. de reaktie van het afweersysteem op
inspanning is ook
de konklusie van een studie van de CBT-boeg-beelden Pinching en White
(7) het
vermelden waard: inspanningsproeven suggereren een verband tussen
inspanning en
de hoeveelheid cytokines: boodschapperstofjes van het
afweersysteem. De
inspanning als gevolg van het reizen naar het ziekenhuis leidt bij
ME-patiënten
tot grote hoeveelheden TGF-ß (cytokine die de groei van
tumorcellen/geïnfek- teerde cellen afremt en
“zieke” cellen aanzet om te
sterven). Na de inspan-ningsproef waren de koncentraties TNF-α
bij ME-patiënten aantoonbaar hoger. TNF-α (tumor necrosis factor alpha) is
een cytokine die door monocyten/makro- fagen (grote
vreetcellen)
geproduceerd
worden, bijv. als onderdeel van een “chronische ontsteking”
en/of als
ant- woord op de aanwezigheid van endotoxinen van
bakteriën/myco-plasma's.
Voorafgaande aan de inspanningsproef hadden ME-patiënten
aanzienlijk kleinere
hoeveelheden T-cellen, T-helper-cellen en (onrijpe) B-cellen.
Zeer
recent publiceerden de Nijs et al de resultaten van een studie waarin
de relatie tussen inspanning en het afweersysteem, met name
RNAse-L-aktiviteit, RNAse-L-fragmentatie, PKR-aktiviteit,
elastase-aktiviteit, percentage monocyten (specifieke afweercellen) en
de stikstofafgifte door afweercellen, onderzocht werden (8).
Wederom
werd duidelijk dat er een verband is tussen de inspanning -
inspanningskapaciteit en een reaktie van een ontregeld afweersysteem:
1. De afname van de maximale zuurstofopname
(VO2 max) hangt sterk samen met toegenomen elastase-aktiviteit
(hoeveelheid, werkzaamheid).
2. Toename van PKR-aktiviteit is de
belangrijkste faktor voor de verklaring van de afname van de maximale
inspanning. PKR is een enzym dat onder meer virussen (en
mycoplasma’s?) belet zich te vermenigvuldigen.
3. De afname van de maximale hartslag heeft
een sterke relatie met toename van de elastase-aktiviteit.
De
konklusie van deze studie luidt: er is een direkt verband tussen de
ontregeling van de intracellulaire afweer en afname van de maximale
inspanning (inspanningskapaciteit). Voor het persbericht bij deze
studie klik
hier.
Tenslotte,
uit de studie van de Bolle (9, niet gepubliceerd in een
wetenschappelijk tijdschrift, maar daarom niet minder relevant) blijkt
dat bij meer dan 50% van de ME-patiënten
één of meer mycoplasma-infekties vastgesteld
worden en dat de maximale hartslag van patiënten met
mycoplasma-infektie(s) die de inspanningsproef voltooiden
(volledige uitputting) beduidend lager ligt. Tevens
was er een tendens dat het lichaam al bij een lagere inspanning
overgaat op anaërobe verbranding.

Konklusies:
|
◊
|
|
de
lagere inspanningskapaciteit kan goed objektief vastgesteld worden,
|
|
|
◊
|
die
lagere inspanningskapaciteit is niet terug te
voeren tot bewegingsangst en |
|
◊
|
een
mogelijke verklaring voor de afgenomen inspanningskapaciteit is:
|
| |
*
|
de
verdere aktivering en ontregeling van het afweersysteem bij toenemende
inspanning en |
| |
*
|
het
aanwezig zijn van chronische mycoplasma-infektie(s). |
Bronnen:
|
1
|
Time course of exercise induced alterations in
daily activity in chronic fatigue syndrome.
Dyn Med. 2005 Oct
28;4(1):10.
Black CD, McCully
KK.
|
|
2
|
Chronic fatigue syndrome:
lack of association between pain-related fear of
movement and exercise capacity and disability.
Phys Ther. 2004 Aug; 84 (8): 696-705.
Nijs J, Vanherberghen K,
Duquet W,
De Meirleir K.
|
|
3
|
Is the chronic fatigue syndrome an exercise phobia?
A case control study
Journal of Psychosomatic Research. 2005 Apr, 58
(4), 367-373.
A.M. Gallagher, A.R. Coldrick, B. Hedge, W.R.C.
Weir, P.D. White.
|
|
4
|
Exercise capacity in chronic fatigue syndrome.
Arch Intern Med. 2000 Nov 27; 160
(21): 3270-7.
De Becker P,
Roeykens J,
Reynders M,
McGregor N,
De Meirleir K.
|
|
5
|
Subclassifying chronic fatigue syndrome through
exercise testing.
Med Sci Sports Exerc. 2003 Jun; 35 (6): 908-13.
Vanness JM, Snell CR, Strayer DR, Dempsey L 4th, Stevens SR.
|
|
6
|
Exercise capacity and immune function in male and
female patients with chronic fatigue syndrome (CFS).
In Vivo. 2005 Mar - Apr; 19 (2): 387-90.
Snell
CR, Vanness JM, Strayer DR, Stevens SR.
|
|
7
|
Immunological Changes After Both Exercise and
Activity in Chronic Fatigue Syndrome:
A Pilot Study
Journal of Chronic Fatigue Syndrome, 2004
(5/18/2005), 12 (2): 51-66.
PD White, KE Nye, AJ Pinching, TM Yap, N Power, V
Vleck, DJ Bentley, JM Thomas, M Buckland, JM Parkin.
|
|
8
|
Chronic
Fatigue Syndrome:
Exercise
Performance Related to Immune Dysfunction.
Medicine & Science in Sports
& Exercise. 37(10):1647-1654, October 2005.
J. Nijs, M. Meeus, NR McGregor, R. Meeusen, G. de Schutter,
E. van Hoof, K. de Meirleir.
|
|
9
|
Retrospectieve
analyse van de inspanningscapaciteit bij het chronisch
vermoeidheidssyndroom:
de
rol van Mycoplasma infecties.
Vlaams
tijdschrift voor sportgeneeskunde en sportwetenschappen,
jaargang 24, december 2002 - februari 2003.
De
Bolle K.
|
|
10
|
A population-based study of chronic fatigue
syndrome (CFS) experienced in differing patient groups:
An effort to replicate Vercoulen et al.'s model of
CFS.
Journal of Mental Health, June 2005, 14 (3):
277-289
S. Song, L.A. Jason.
|
|